| De liberale dominantie en educatieve oriëntatie gaven het openbaar onderwijs een belangrijke impuls. De wet van 1857 had al belangrijke verbeteringen gebracht in de omstandigheden van onderwijzers en openbare onderwijsinstellingen. Het beleid in de jaren daarna droeg daar nog verder aan bij. Het aantal leerlingen steeg en de toename in het aantal leerkrachten was nog veel groter, als gevolg van verkleining van klassen en uitbreiding van taken. Hierdoor namen ook de uitgaven voor het openbaar onderwijs sterk toe. Deze ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt in 1878 met de Schoolwet van Kappeyne. Die bepaalde dat het rijk dertig procent van de onderwijslasten overnam van de gemeenten, die deze niet meer konden opbrengen. Daarnaast werden de eisen aan onderwijzers en onderricht nogmaals verhoogd en de klassen verder verkleind van maximaal zeventig tot ten hoogste veertig leerlingen. Ook het bijzonder onderwijs was aan deze eisen onderworpen, maar zonder dat het daarvoor overheidssteun ontving. Het ministerie van Kappeyne kon met instemming van de Kamer volhouden dat een dergelijke subsidiëring ongrondwettig was. |