![]() | |
> Startpagina > De Geschiedenis van Schiedam > Documenten > 1898: Schiedamsche Courant / Kroningsnummer / 31 aug 1898 |
De ondergeteekende heeft de eer de Heeren Burgemeesteren der Stad Schiedam, op ordre van
Zijne Koninklijke Hoogheid te provenieeren, dat Hoogstdezelve van voornemen is morgenogtend
om acht uur van hier ('s-Gravenhage) te vertrekken om door de Stad Schiedam zijnen weg naar
Rotterdam te nemen.
De ondergeteekende neemt deeze gelegenheid waar den Heere Burgemeester van Schiedam van
zijne bijzondere Hoogachting te verzekeren.
De Generaal-Majoor en adjudant van Zijne Koninklijke Hoogheid
`s Hage den 28 Juli 1814.
Dat was nu wel erg vriendelijk door den adjudant van Z. K. H. bericht, maar de tijd van
voorbereiding voor de ontvangst was wel wat erg kort.
Wat konden de stadsbestuurderen (wij hadden in 1814 nog slechts provisioneele besturen) er
anders op vinden, dan aan de burgerij te richten de volgende
De tijd was kort, maar niet onwaardig benutte de burgerij de korte spanne, die haar gegund was.
Overal werden de vlaggen uitgestoken en werden de deurkozijnen met sierlijke guirlandes
getooid, en weldra was men gereed om den Souverein op passende wijze in te halen.
Volgens het idee van het provisioneel bestuur zoude Z.K.H. van den Kethelschen kant komen, en
aldus zal het wel in het plan gekomen hebben ook. Daarom begaf het stadsbestuur en de
schutterij met ,,derselver muzyk'' zich al tijdig in den ochtend naar de Kethelpoort om daar den
Souverein plechtig af te wachten.
Maar wie er kwam, de verwachte Vorst niet. Eindelijk - het was al vrij laat geworden - berichtte
een bode, dat Z.K.H. al in de stad was. Groote ontsteltenis natuurlijk bij alle autoriteiten. Wat
bleek nu? - dat de Souverein van de Rotterdamsche zijde de stad binnengetrokken was, die hij daar
natuurlijk geheel verlaten had gevonden, daar ieder bij den Kethelweg op post stond.
Het geval helderde zich spoedig op. Door eene herstelling aan de brug bij Overschie was de Vorst
verplicht geweest een omweg over Rotterdam te maken, en blijkbaar het voorgenomen
bezoek niet achterwege willende laten, was hij vandaar toch nog naar Schiedam
gekomen.
In onzen tijd met telephonische en telegraphische verbinding met Overschie, zou
zich gelukkig zoo iets niet meer kunnen voordoen. Maar toen de reden eenmaal
bekend werd van de teleurstelling, was weldra de feeststemming ook weer
teruggekeerd en met opgewektheid werd door onzen lateren Koning het
belangrijkste wat onze stad ter bezichtiging bood in oogenschouw genomen.
Het heeft ons heel wat moeite gekost van het bezoek een nader verslag te krijgen,
daar van couranten uit dien tijd juist de nummers, die wij noodig hadden, ontbraken,
en andere bronnen niet mild vloeiden; echter hebben wij eindelijk een beknopt
verslag van het bezoek kunnen vinden in het ,,Dagblad van Zuid-Holland'' te 's-Gravenhage,
dat toen reeds een lang leven achter den rug had. Wat wij daar vonden is het volgende:
Heden had Schiedam het genoegen, om Zijnen geliefden Souverein binnen zijne
muren te ontvangen. Het provisioneel Stedelijk Bestuur was tot Hoogstdeszelfs
receptie vergaderd, de gansche Schutterij in de wapenen. Zijne Koninklijke
Hoogheid stapte af aan het huis van den President van het Stedelijk Bestuur den
Heer C. Hazeman, terwijl tevens eene audientie verleend werd aan den Vrederegter
van het Kanton, aan den Kerkenraden der onderscheidene godsdienstige
Gezindheden, aan het korps Officieren der Schutterij, aan de Commissie
waarnemende de belangen der Stokerijen binnen Schiedam en aan andere Heeren,
welke verzocht hadden ter audientie toegelaten te worden.
Vervolgens bezigtigde Z.K.H. eene Geneverstokerij, de Hoofdtrafiek van Schiedam, liet
Zich van alles nauwkeurig onderrigten, en na nog een wijl binnen de Stad vertoefd en eenige
ververschingen gebruikt te hebben, vertrok de Vorst naar Rotterdam over Delftshaven.
Hoezeer het laat ingekomen berigt van 's Vorsten komst de Ingezetenen niet toegelaten heeft den
vollen teugel te vieren aan hunne blijdschap, hebben de alomme versierde huizen, uitgestoken
vlaggen, en nog meer de levendige en ongezochte toejuichingen van alle Standen van Inwoners,
welke den Vorst van zijne komst tot aan zijn vertrek vergezeld hebben, Hoogstdenzelven kunnen
overtuigen van de liefde en eerbied welke Schiedam zijnen zo zeer gewenschten Vorst toedraagt.
De Souvereine Vorst is nimmer, ook niet gedurende zijn lange regeering als Koning Willem I te
Schiedam terug geweest. Of de moeilijkheden bij het eerste bezoek hem hebben afgeschrikt ?
Historische Vereniging Schiedam
Uit de privé-collectie van G. Robberegt / dig. F.Rosman
> Startpagina > De Geschiedenis van Schiedam > Documenten > 1898: Schiedamsche Courant / Kroningsnummer / 31 aug 1898 |